|
"Kritiek heeft spirituele waarde"
De passie van Ken Wilber
Eerste bezoek aan Ken Wilber, januari 1997
Frank Visser
Ken Wilber (geb. 31/1/1949) geldt al jaren
als een van de belangrijkste theoretici van de transpersoonlijke psychologie,
een van de weinige psychologische scholen die spirituele ervaring serieus
nemen. Binnen de alternatieve wereld is hij altijd een buitenbeentje, om
niet te zeggen een dwarsligger geweest. Velen lopen weg met Jung — Wilber
niet. Velen geven af op Freud — Wilber niet. Velen stellen hun hoop op
het holisme — Wilber niet. Velen zien het verstand als de boosdoener —
Wilber niet. Wat bezielt deze man, die al twintig jaar stug doorgaat met
het schrijven van moeilijke, soms wat minder moeilijke, maar altijd eigenzinnige
boeken over spirituele psychologie? Frank Visser zocht hem op.
Als `Wilber-watcher' van het eerste uur
volg ik vanaf het begin van de jaren tachtig zijn publikaties. Vele jaren
lang heb ik tevergeefs geprobeerd contact met hem te leggen. Toen ik tijdens
mijn studie zijn boek The Atman Project (1980) las, wist ik meteen
dat Wilber in staat was te doen waar ik zelf in die tijd ook naar op zoek
was: een wetenschappelijke onderbouwing van het menselijke streven naar
spiritualiteit. Ik probeerde Wilber op de universiteit te promoten, maar
stuitte op beleefde interesse of onbegrip. Ik vertaalde het boek, wist
het ook nog uitgegeven te krijgen — hoewel dit commercieel gezien eigenlijk
niet verantwoord was — en bleef Wilber bestoken met brieven vol op- en
aanmerkingen — zonder resultaat. Ik wist inmiddels dat hij als kluizenaar
leefde en werkte, vrijwel geen post beantwoordde, en met zijn vakgenoten
communiceerde door middel van zijn gepubliceerde werk.
Toen hij midden jaren tachtig, inmiddels
tien boeken verder, niet meer van zich liet horen doordat zijn vrouw ernstig
ziek werd en hij het schrijven er helemaal aan gaf — over deze periode
schreef hij later het boek Overgave en strijd — leek de kans verkeken
om hem nog eens in levende lijve te ontmoeten. Tot in 1995 een verschrikkelijk
dik boek van hem verscheen, met de raadselachtige titel Sex, Ecology,
Spirituality, en ik dat jaar in de Verenigde Staten was om het jaarlijkse
congres van de Internationale Transpersoonlijke Associatie bij te wonen.
Daar hoorde ik van alweer een nieuw boek: A Brief History of Everything.
Mijn handen jeukten al om ook dat boek te gaan vertalen. Op de terugweg
naar huis deed ik de theosofische uitgeverij in Wheaton aan, uitgever van
The Atman Project, en raakte daar met de hoofdredactrice in zo'n
geanimeerd gesprek over Wilber, dat zij me bij mijn vertrek zijn geheime
faxnummer toeschoof...
Fax-relatie
Thuisgekomen nam ik meteen de proef op
de som, en faxte naar Wilber mijn impressies van het transpersoonlijke
congres — en mijn al die jaren opgespaarde vragen. Ik hoefde niet lang
op antwoord te wachten, nog de volgende dag lag er een fax van Wilber,
met een uitvoerig antwoord. Dit zou het begin zijn van een intensieve gedachtenwisseling,
alles via de fax — je zou haast kunnen spreken van een vriendschappelijke
fax-relatie.
Toen ik eind vorig jaar op het Internet
kennisnam van een geplande Wilber-conferentie te San Francisco in januari
begon het weer te kriebelen. Zou een ontmoeting met Wilber dan toch dichterbij
komen? Deze conferentie vormde een vervolg op een discussie die zich in
drie achtereenvolgende nummers van het tijdschrift ReVision in 1996
had afgespeeld. Daarin kwamen zijn belangrijkste tegenspelers in de transpersoonlijke
wereld — zoals Stanislav Grof, Michael Washburn en enkele anderen — uitvoerig
aan het woord en gaf Wilber antwoord op de diverse punten van kritiek,
zodat voor het eerst een echte discussie over transpersoonlijke kwesties
gestalte kreeg. Dat Wilber niet op de conferentie aanwezig zou zijn, wist
ik van tevoren. Dat was de afgelopen twintig jaar namelijk steeds zijn
gewoonte geweest. Maar zou hij niet benieuwd zijn naar wat er over hem
en zijn werk ter sprake werd gebracht? Ik gokte het erop, en stelde voor
na afloop van de conferentie bij hem thuis in Boulder verslag uit te brengen.
Gewoon thuis
Helaas, hij was rond die tijd net op een
meditatie-retraite, zou daarna lezingen geven aan het Naropa Institue,
en zou dan weer hard aan het werk gaan aan het vervolg op Sex, Ecology,
Spirituality. Maar de volgende dag al lag er een nieuwe fax: in verband
met de Wilber-conferentie had zijn uitgever Shambhala besloten zijn nieuwste
boek, The Eye of Spirit — waarin zijn uitvoerige weerwoord op de
conferentie te vinden is — enkele maanden eerder uit te brengen. Hij zou
daarvoor in San Francisco moeten zijn, waar de conferentie gehouden werd,
en na afloop daarvan in besloten kring doorbrengen met enkele goede vrienden
— waarbij ik van harte welkom was. Maar misschien was hij ook wel gewoon
thuis, in Boulder. Omdat het kort dag was en ik mijn vlucht moest boeken,
drong ik aan op een antwoord. Dat kwam in de vorm van een handgeschreven
fax-krabbeltje: "Ik ben in Boulder. Je kunt langskomen en bij mij thuis
overnachten als je dat wilt. Ik heb een logeerkamer voor bezoekers." Vijftien
jaar geduld opbrengen was toch lonend geweest.
Met enig geluk kon ik in San Francisco
nog een ticket naar Denver bemachtigen — al had United Airlines op het
laatste moment nog roet in het eten kunnen gooien door 1250 dollar te vragen
voor een retourvluchtje. Gelukkig kon ik via een obscuur Chinees reisbureautje
een ticket kopen van een in Denver gestationeerde luchtvaartmaatschappij.
Vol vragen en verwachtigen vloog ik richting Denver, alwaar een bus me
naar Boulder zou voeren.
Aangekomen in Boulder ontmoet ik hem volgens
afspraak in de lounge van Hotel Boulderado. Ken Wilber herkennen in een
volle hotellounge is niet moeilijk, door zijn kale hoofd en zijn forse
en gespierde postuur steekt hij overal bovenuit. Joviaal komt hij op me
af en voert me naar zijn terreinwagen, die buiten staat te wachten. Vanaf
het moment dat we de auto instappen ontspint zich een gemoedelijk gesprek,
dat heen en weer springt van het congres van het afgelopen weekend naar
de overweldigende natuur van Colorado, de schandalige prijzen van luchtvaartmaatschappijen
en alles wat hem momenteel bezighoudt.
Na een rit door de bergen bereiken we uiteindelijk
zijn huis — hij woont op grote hoogte in een soort chalet, tegen de Rocky
Mountains aangeplakt, die hier uit de vlakte oprijzen, en dat een panoramisch
uitzicht biedt. We installeren ons in de ruime keuken van zijn woonkamer
— ik op een barkruk, hij op het aanrecht gezeten, geleund tegen een keukenkastje
— en raken in een gesprek gewikkeld, dat negeneneenhalf uur zal duren.
Het is dan vier uur in de middag, en tot half twee in de nacht praten we
vrijwel onafgebroken over de meest diepzinnige (en de meest platvloerse)
onderwerpen. Hij is intens, beurtelings gepassioneerd aan het vertellen,
dan weer rustig luisterend. Kan zich zowel subtiel uiten als zeer krachtig.
Heeft daarbij een groot gevoel voor humor.
Wilbers verschijning is opmerkelijk. Zijn
kale hoofd is iets waar je even aan moet wennen. Zijn grote beweeglijkheid
is een tweede opvallende eigenschap. Hij onderstreept zijn betogen vaak
met wijde armgebaren. Het leven op grote hoogte in de winterse zon — dit
deel van Colorado is een bekend wintersportoord — heeft hem gebruind, en
geeft hem voor de kluizenaar die hij is een gezonde teint. Gestoken in
een gebleekte spijkerbroek en een veel te wijd onderhemd beantwoordt hij
precies aan het imago dat de afgelopen twintig jaar rondom hem is ontstaan:
hij leeft voor zijn werk, in afzondering, en bekommert zich verder weinig
om hoe hij op de buitenwereld overkomt.
Waarom hij niet naar het congres dat aan
zijn werk gewijd was gekomen is, was een van de eerste vragen die ik hem
stelde. De artikelen in ReVision hadden hem niet overtuigd van het
nut van zijn aanwezigheid, zo licht hij toe. Hij was teleurgesteld over
de matige kwaliteit van deze bijdragen. Ook al kon hij de kritiek uit feministische,
ecologische of dieptepsychologische hoek volkomen volgen, hij vond dat
dit alles in grote lijnen toch teveel binnen een regressief kader werd
geplaatst, waardoor de kwaliteiten van de moderne tijd, die Wilber hoog
aanslaat, in een kwaad daglicht worden gesteld.
Naarmate de uren verstrijken wordt me glashelder
waarom hij zich in al zijn boeken toch zo kritisch afzet tegen het merendeel
van de transpersoonlijke en alternatieve wereld. Wie het werk van Wilber
enigszins kent, weet dat hij van mening is dat veel, zo niet alle, zogenaamde
New Age of New Science modellen van menselijke ontwikkeling regressief
(`spirituele ontwikkeling is het terugkeren naar het geluk van onze kindertijd')
of reductionistisch (`de moderne fysica raakt aan de oosterse mystiek')
zijn, ook al doen ze zich voor als een veelbelovende synthese tussen wetenschap
en spiritualiteit. In zijn grote werk Sex, Ecology, Spirituality
heeft hij (voor het eerst openlijk) vlijmscherpe kritiek geleverd op deze
zijns inziens bedenkelijke trends in het hedendaagse `spirituele circuit'
— wat hem natuurlijk niet in dank wordt afgenomen. Ook op het aan hem gewijde
congres was de teneur van veel beschouwingen dat hij als `spirituele autoriteit'
zich niet zo scherp en kritisch mag opstellen. Hij zou meer mededogen moeten
tonen, en respect voor andere visies. Dat zou niet `spiritueel' zijn...
Ineens fel
Als ik hem daarmee confronteer, wordt hij
ineens fel. Hij ziet de diepgang die verborgen ligt in het wereldbeeld
van de spirituele tradities — waarvan hij in zijn boeken een hedendaagse
en wetenschappelijk verantwoorde versie van probeert te geven — vrijwel
geheel verloren gaan in de tegenwoordig populaire visies op spiritualiteit,
van de Aquarius Samenzwering tot de Celestijnse Belofte.
Om aan te duiden in welk opzicht hij zich van deze literatuur onderscheidt,
legt hij uit dat daarin vaak wordt uitgegaan van een zeer dualistisch wereldbeeld
(niettegenstaande de vaak `holistische' pretenties). In deze visies wordt
steeds over slechts twee polen gesproken: ego en Zelf (Jung), ego en Grond
(Washburn), ego en essentie (Almaas), ego en lichaam (Lowen), enzovoort.
(Pikant detail: in zijn vroegste werken, The Spectrum of Consciousness
en No Boundary, doet Wilber dat ook: hij schrijft dan voornamelijk
over ego en Mind, FV).
De algemene gedachtengang bij deze auteurs
is dan: in de loop van zijn/haar ontwikkeling begint de mens in een toestand
van eenheid met het Zelf, al is hij/zij zich daarvan niet bewust. Tijdens
het proces van volwassenwording wordt deze transcendente werkelijkheid
echter geleidelijk verdrongen, en kan het ego zich ontwikkelen. Daarmee
verliest het ego vaak niet alleen het contact met het lichaam, maar ook
met de spirituele dimensie. Om als volwassene weer `spiritueel' te kunnen
worden is het daarom nodig dat deze verdringing weer wordt opgeheven, het
ego terugkeert naar het Zelf, `maar dan nu bewust'.
De middelste fase, van het ego en het verstand,
krijgt daardoor een negatieve bijklank, en de visie op spirituele ontwikkeling
draagt een regressief karakter. We moeten `terugkeren' tot iets wat we
`kwijt' zijn geraakt. Vaak wordt alles in twee groepen verdeeld, een `goede'
en een `slechte'. Goed is dan: de natuur, het lichaam, holisme, verbinden,
primitieve culturen, het vrouwelijke, de quantumfysica, enzovoort. Slecht,
dat is: de cultuur, het denken, atomisme, scheiden, de westerse wetenschap,
het mannelijke, de klassieke natuurkunde, enzovoort.
Diepte-dimensie
Wilber bestrijdt deze tweedeling met een
ongekende heftigheid. De zogenaamde Nieuwe Wetenschap — een mengelmoes
van systeemtheorie, holografie, quantumfysica, chaostheorie, en welke andere
nieuwe natuurwetenschappelijke trend zich ook maar aandient — is wat hem
betreft even materialistisch als de zo vaak verguisde natuurkunde van Descartes
en Newton (die goed beschouwd een zeer holistische en systeemtheoretische
visie op de werkelijkheid leerden!). Zowel atomisme als holisme bewegen
zich in zijn ogen in het platte vlak, terwijl we juist de diepte-dimensie
van het menselijk innerlijk moeten verkennen. Verbinden is niet spiritueler
dan scheiden, zo vervolgt hij in een rap tempo. Er zijn onrijpe vormen
van verbinden, en heel spirituele vormen van (onder)scheiden. Beide zijn
nodig voor een gezonde ontwikkeling.
De natuur is bij velen tegenwoordig spiritueler
(want `kosmisch') dan de cultuur (want die is tenslotte maar `bedacht'
door mensen). Bij Wilber is het precies andersom. De natuur is weliswaar
ook goddelijk, maar in de menselijke cultuur komt het denkvermogen tot
uitdrukking, een vermogen dat hij hoger aanslaat dan de onbewuste natuur.
Ook ziet hij pre-moderne culturen niet als spiritueler dan de zogenaamde
geseculariseerde westerse cultuur. Primitieve culturen zijn vaak dogmatisch,
cultiveren een groepsmentaliteit en werken ieder individualisme tegen.
Het lichaam wordt in sommige therapeutische
kringen als de drager van spiritualiteit gezien (het is immers `echter'
en `energetischer' dan het schimmige ego, we moeten niet zo `in ons hoofd'
zitten, maar `thuiskomen in ons lichaam', iets is pas echt als je het lichamelijk
beleeft, enzovoort). Wilber ziet het menselijk vermogen om het lichaam
te overstijgen als een teken van ontwikkeling en daardoor ook van spiritualiteit.
En tenslotte, het vrouwelijke is voor hem
niet automatisch `spiritueler' dan het mannelijke, al zou je die indruk
krijgen uit veel ecologische en feministische literatuur. Mannen worden
daarin steeds vaker afgeschilderd als domme wezens, die oorlog voeren en
vrouwen onderdrukken, terwijl vrouwen spiritueler zouden zijn omdat ze
beter zijn in relaties en verbinden, zo luidt dan de redenering. Voor Wilber
zijn mannen en vrouwen even veel of even weinig spiritueel, omdat beiden
een ontwikkelingsproces moeten doormaken van het persoonlijke naar het
transpersoonlijke. Mannen zullen dat op hun manier doen, door het accent
te leggen op daadkracht, vrouwen op een andere manier, door het accent
te leggen op gemeenschapswaarden, maar geen van beide is van nature spiritueler
dan de ander.
Wilber propageert in zijn boeken daarom
een drievoudig ontwikkelingsmodel: prepersoonlijk, persoonlijk en transpersoonlijk.
Daarbij moet je denken aan driedelingen als: lichaam, ziel, geest; instinct,
intellect, intuïtie; mythisch, mentaal, mystiek; dierlijk, menselijk,
goddelijk, enzovoort. En hier komt de clou: de eerste fase, die in het
tweevoudige model vaak voor `goed' werd aangezien, is nu de meest primitieve
fase. En de tweede fase, die in het tweevoudige model vaak als `slecht'
werd aangemerkt — het ego, het denken, de westerse cultuur — is nu een
stap vooruit, in de richting van het spirituele. Kort gezegd: we gaan niet
van goed naar slecht, maar van goed naar beter naar best.
Het ego is nu niet meer de vijand van het
spirituele, maar zijn beste vriend, omdat het ons uit de onbewuste natuur
haalt. De waardering voor de typisch moderne waarden als rationaliteit
en individualiteitsbesef valt dus volledig anders uit bij deze twee modellen.
Je kunt deze twee visies gemakkelijk herkennen aan de waarde die wordt
gehecht aan het ego en het denken. In welke hedendaagse spirituele scholingsweg
wordt bijvoorbeeld nog intellectuele studie aanbevolen? Het werken met
lichaam en emoties wordt door velen zonder meer als spiritueler gezien
dan het gebruiken van je verstand — en dit is het wat Wilber de regressieve
tendens noemt. Als je dit begrijpt heb je Wilber begrepen, en hoef je al
zijn vijftien boeken niet eens meer te lezen, gaat er door me heen.
Romantiek vs. idealisme
We beginnen aan een opgewarmde sandwich,
maar laten hem weer koud worden. Wilber licht toe dat zijn standpunt zich
ook laat terugvinden in de geschiedenis van de westerse filosofie. In de
achttiende en negentiende eeuw keerden zich twee stromingen tegen de dominante
rationele cultuur van de Verlichting. De Romantiek keerde zich af van het
denken, verklaarde de natuur, het lichaam en de emoties voor goddelijk,
en bepleitte een terugkeer naar deze goddelijke natuur. De Idealisten antwoordden
daarop, dat de natuur weliswaar ook goddelijk was, maar dat God in de natuur
sluimert, terwijl Hij in de mens wakker begint te worden.
Wij zien tegenwoordig God gemakkelijk in
de natuur, maar zien we Hem ook aan het werk in de cultuur — in de moderne
verworvenheden als democratie, afschaffing van slavernij, mensenrechten,
emancipatiebewegingen, rationaliteit, tolerantie, enzovoort? Voor de Idealisten
volgde daarop een derde fase, waarin de Geest zich als het ware volledig
bewust wordt van Zichzelf.
Spiritualiteit heeft voor Wilber uitsluitend
met deze derde, transpersoonlijke fase te maken, en niet met een anti-rationele
romantisering van de natuur. Die houdt ons volgens hem juist af van spirituele
groei, en deze romantiek als spiritualiteit verkondigen, dat is `wreed'
— zegt Wilber geëmotioneerd — omdat het het lijden van de mens instandhoudt.
Omdat hij op tal van manieren in hedendaagse visies de spirituele diepgang
verloren ziet gaan, heeft hij besloten deze visies openlijk te bekritiseren.
Kritiek heeft spirituele waarde, zo besluit hij zijn betoog.
Op een gegeven moment kondigt Wilber aan
te willen gaan slapen, en hij laat me met een biertje (Heineken!) achter
in de serre, die uitkijkt op het nachtelijke Denver. Het duizelt me, en
ik probeer de afgelopen uren tot me door te laten dringen. De New Age op
zoek naar een sluimerende God? Rationaliteit als opstap naar spiritualiteit?
Secularisatie als daad van God? Op zijn minst een hoogst originele visie...
Omdat de slaap die nacht op zich laat wachten
— wie doet er een oog dicht als hij zich onder één dak met
zijn idool bevindt? — dwaal ik door de benedenverdieping van zijn drie
woonlagen tellende huis. De duizenden boeken die hij zegt te lezen staan
er inderdaad ook, overzichtelijk gerubriceerd naar onderwerp. Ook de vele
vertalingen van zijn werk — hij heeft nu 15 boeken geschreven, die in 16
talen over de hele wereld zijn vertaald — staan op planken uitgestald.
Er liggen veel Duitse, Spaanse en Portugese vertalingen, maar ook Chinese
en Japanse. Een Chinese vertaling van No Boundary in je hand houden
is toch een merkwaardige belevenis!
Op de middelste woonlaag bevindt zich de
keuken en de zitkamer, waar een grote kleuren-t.v. permanent aanstaat op
zijn favoriete kanaal, Travel Channel, dat allerlei reizen door Europa
aanprijst. Op de bovenste woonlaag is zijn eigen werk- en slaapvertrek,
met weer een vracht aan boeken.
Hersengolven
De volgende ochtend laat hij me — met enige
trots — een video zien die van hem is gemaakt terwijl hij mediteert en
een EEG van hem wordt gemaakt. Dit apparaat meet de beta-golven (gewone
waaktoestand), de alpha-golven (ontspannen waaktoestand), de theta-golven
(droom) en de delta-golven (droomloze slaap). Hij blijkt in 4 seconden
in een toestand te kunnen komen, waarbij alle golfpatronen stilvallen,
afgezien van een lichte delta-activiteit. De psychiater die bij dit experiment
aanwezig was geloofde zijn ogen niet, en dacht dat er iets met het apparaat
mis zou zijn.
"Dat is nou het nirvana", zegt Wilber achteloos,
"nirvikalpa samadhi". Dat is toch wel even slikken. Is het zo makkelijk?
Toch niet, want Wilber is al twintig jaar fervent beoefenaar van zen-meditatie.
Het brengt hem op een geliefd stokpaardje: tot aan de hoogste toestand
van bewustzijn is het mogelijk een fysiologische meting te doen in de hersenen,
ook al zegt deze meting niets over de subjectieve belevingskant van deze
ervaring. Exact wetenschappelijk onderzoek vormt een vast onderdeel van
zijn integrale benaderingswijze.
Dan rijden we in de jeep nog verder de
bergen in, om wat van het grandioze uitzicht over de vlakte van Denver
te kunnen genieten. Een hert schiet voor de auto over de weg. Ook al zou
hij liever in San Francisco wonen — hij is een stadsmens, bekent hij —
toch is de rustige atmosfeer in Boulder ideaal voor hem om in alle rust
te kunnen schrijven.
We rijden naar beneden naar het plaatsje
Boulder, een universiteitsstadje waar niet alleen de University of Colorado
is gevestigd, maar ook het bekende Naropa Institute, dat door Chögyam
Trungpa is opgericht. Hier geeft Wilber wel eens enkele van zijn schaarse
lezingen of seminars, om uit te testen welke reacties zijn werk ontlokt
aan studenten. Veel gebouwen zijn gebouwd in de rode baksteen die voor
deze streek zo kenmerkend is (Colorado is Spaans voor "gekleurd").
Als we uiteindelijk neerstrijken in een
koffieshop — er is nog een half uur voordat de bus me weer naar het vliegveld
van Denver zal brengen — is de koek een beetje op en laat ik door een Bouldenaar
een foto van ons beiden maken. Die trofee wil ik toch wel naar huis meenemen.
Er ontspint zich een aardige dialoog met de koffieshop-houder, die ons
beiden blijkbaar niet goed kan plaatsen:
"Hoe kennen jullie elkaar?"
"Hij is de vertaler van mijn werk in Holland."
"O ja, waar schrijf jij dan over?"
"Over Oost/West-dingen enzo. Psychologie,
filosofie, dat soort dingen."
"O, great."
"Een van mijn laatste boeken heet A
Brief History of Everything. Dat ligt in de boekhandel. Je herkent
het meteen, want mijn lelijke kop staat op het omslag."
"Nou dat moet ik dan maar eens lezen, want
ik moet toch weten wat mijn klanten bezighoudt..."
Zelfs in zijn eigen woonplaats kan een
wereldberoemd auteur nog onbekend zijn! Voor de huidige generatie studenten
is hij lang niet zo'n tot de verbeelding sprekende figuur als voor de oudere
studenten, zo legt hij uit. Hij kan dus ongestoord op een terrasje zitten,
of naar de bioscoop gaan. Ook in Boulder veranderen de tijden blijkbaar.
Als het moment om afscheid te nemen daar
is zegt Wilber half schertsend: "Nou, ik ben een Amerikaan, dus nou moeten
we huggen." Nu ben ik maar gewoon een Hollander, maar hier zijn we even
geestverwanten: twee mannen, allebei bezeten van het project het spirituele
wetenschappelijk te onderbouwen, ongemakkelijk in fysiek contact, maar
met grote sympathie voor elkaar. Met een groot gebaar omvat hij me en drukt
me tegen zich aan. En dan is hij weg, met de jeep weer de bergen in.
Dikke mist
Als ik in Denver aankom blijkt de hele
stad omgeven te zijn door een dikke laag mist. De komende vier uur blijft
het vliegveld gesloten voor al het vliegverkeer. Wilber had in een van
de ReVisions die aan hem waren gewijd geschreven: "Velen zien maar
al te goed in wat voor zorgelijke staat ons vakgebied zich bevindt. Ze
maken zich zorgen over de reactionaire, anti-progressieve en regressieve
dikke mist die over het gehele veld aan het kruipen is."
Het is alsof de natuur dat nog eens wil
onderstrepen.
Frank Visser is auteur van Zeven sferen
(Theosofische Vereniging, 1995), waarin een esoterische kritiek op Wilber
is te vinden.
Verschenen in de Koörddanser, april 1997.
|